RSS rss | vrijdag 30 juli 2010
Waar ben ik:   Nieuws
 

Weblog

Koolzaadveld
Het veldje
“You see! Technology solves everything!” zegt Arnold Schwarzenegger terwijl hij naar een 500 Pk V8 staat te kijken in MTV’s ’Pimp my ride’. De muscle car in kwestie rijdt op Bio-Ethanol. Dit korte fragment staat op mijn netvlies gegrift. Net als mijn collega columnist Edward Goossens heb ik ook een spagaat. Mijn technische duiveltje op de linker schouder zegt: “technologie lost alle problemen op”. Maar op mijn rechter schouder zit een antroposofisch engeltje te beweren dat het een overwinning van de mens op zichzelf zal zijn dat redding brengt aan onze soort. Gelukkige is er bij mij nog geen Palestijns-Israelisch conflict over ontstaan en zijn de partijen nog in gesprek. Sterker nog we zijn bezig met een synthese: de “thriomph of the commons”. Ik ben benieuwd naar uw mening hierover.

Ik was eens in een hypothetisch dorpje in een hypothetisch land. Bij dat dorpje lag een veldje. Dat was ’publiek bezit’. Iedereen uit het dorp mocht daar zijn ding doen en laten. De herders van het dorp maakten hier dan ook dankbaar gebruik van en laten hun schapen daar grazen. Het dorpje had rust hoog in het vaandel staan en de mensen leefden er in harmonie. Het ging dan ook goed met het dorp. De kinderen gingen naar school en genieten daar van de verse schapenmelk.

Omdat er steeds meer vraag was naar melk, wol en vlees had herder Arnold destijds besloten nog een schaap te nemen. Hij had er goed over nagedacht. Een schaap kost toch wat, maar levert het wel veel op. En je moet toch aan je toekomst denken. Misschien zat het veldje inmiddels wel wat vol, maar er kon nog best één schaap bij.

Nu, enkele jaren later, sta ik weer in het dorp. Het veldje is weg en de bevolking is verwilderd. Mugabe is er niks bij. Er is honger, angst en mensen vertrouwen elkaar niet meer. Het probleem werd mij snel duidelijk. Zoals Arnold dacht, dachten meer herders. Het gevolg was dat het veldje overbegraast raakte. Geen enkel schaap had meer te eten en de bevolking van het dorpje was aangewezen op de hulp van buitenaf. Maar die kwam niet meer, want in alle dorpen om hun heen was hetzelfde gebeurd. Ze hadden nog geprobeerd om met biotechnologie meer uit een schaap te halen en dat was ook gelukt, maar het enige gevolg was dat het veld iets langzamer overbegraast raakte. Ook heeft de dorpsoudste destijds een quotum ingesteld, maar de herders kwamen hiertegen in opstand. En zij hadden inmiddels zoveel macht dat ook de dorpsoudste niks meer kon beginnen. Aldus bedachten ze een softe regel waarbij elk schaap gemiddeld een maximale hoeveelheid gras mocht eten. Daardoor kwamen er alleen maar meer (kleine, magere) schapen.

De kern van het probleem lag in de oneerlijke verdeling tussen de voor- en nadelen van het publieke bezit. Dit heet ’the tragedy of the commons’. De herder die een dier toevoegt heeft alle voordelen van dat dier, terwijl alle herders gezamenlijk het nadeel voelen. Daardoor zal met rationeel nadenken elke individuele herder ervoor kiezen om steeds meer dieren te nemen. Met overbegrazing tot gevolg.

Had dit debacle voorkomen kunnen worden? Ja. Door anders na te denken over schapen.

Het ging namelijk niet om schapen, maar om melk, wol en vlees. In een ander dorp heeft de dorpsoudste het veldje verkocht aan één herder: Bill. Bill, zo redeneerde de dorpsoudste, was erbij gebaat om zijn schapen zo efficiënt mogelijk te gebruiken en toch zijn veldje te behouden. Zo was de opbrengst goed. Bill begon echter steeds meer te vragen voor zijn melk, wol en vlees. Omdat hij de enige was, kon niemand echt klagen. Arme mensen uit het dorp stierven van de honger, maar dat deert Bill niet. Hij woont inmiddels in een ander dorp naast een collega die hetzelfde heeft gedaan met bossen. Ze doen samen golfen.

Gelukkig is er een groep jonge, getalenteerde herders die de koppen bij elkaar heeft gestoken. Ze zijn gezamenlijk eigenaar van een veldje en werken samen aan de nieuwste biotechnologie. De afspraken zijn helder: iedereen profiteert naar inzet van de totale opbrengst. Melk, wol en vlees zijn goedkoper geworden en de samenwerking zorgt in het dorp voor een steeds betere kwaliteit van leven. Het veldje floreert doordat de wetenschap in het dorp een hoge vlucht heeft genomen. Hierbij hanteren de herders volledige openheid, want het resultaat is in ieders belang. Herders uit andere dorpen zijn ook gaan meedenken. De ontwikkelingen gaan daardoor vreselijk snel. Bill heeft dat niet door, maar veel dorpsbewoners wel. Zij kopen steeds vaker van iemand die is aangesloten bij deze groep. De dorpsoudste, Linus, heeft dit allemaal bedacht. Je kan niet zeggen dat hij er rijk mee is geworden, maar gelukkig in ieder geval wel.

Volgens mij ligt de triomf van de ’commons’ in samenwerking. Door samen te werken kunnen we voorkomen dat we allemaal slachtoffer worden van het succes van enkelen. Technologie is toegepaste wetenschap. Echter, waar wetenschap volledige openheid betracht, is technologie gesloten. Voor samenwerken heb je vertrouwen nodig en daarvoor communicatie en transparantie. Ik ben heel benieuwd wat u, als herder van uw veldje, hierover denkt.

Links:

http://en.wikipedia.org/wiki/Tragedy_of_the_commons

http://en.wikipedia.org/wiki/Cooperation

02-04-2008 11:11
Jacco Lammers0 reactiesreageer
Hummer H3 V8
De Hummer H3 V8...
Toyota Prius
...helemaal niet beter dan een Toyota Prius
Op 3 maart bracht “consumentenwaakhond” TROS-Radar sensationeel nieuws met een vernietigend “rapport” over de Prius. Zelden heb ik zo’n misleidende, eenzijdige en gemanipuleerde voorstelling van zaken gezien. Radar deed wat ritjes met een Prius en liet de Amerikaanse marktonderzoeker Art Spinella zijn fabeltje herhalen, dat ”een Hummer beter is voor het milieu dan een Prius” - zonder enige andere deskundige van bijvoorbeeld TNO te vragen of dat klopt. Ouwe koek, zie Cornelis Kit’s blog SUV schoner dan hybride?. Radar negeerde de informatie van Toyota en de brede kritiek op Spinella’s methodiek en rekenwerk. Even googlen levert op dat Spinella’s visie zeer omstreden is. Consumenten-programma’s en onderzoekjournalisten worden geacht objectief te zijn, hoor en wederhoor toe te passen en nooit op één deskundige af te gaan. VARA’s Radio Kassa had eerder al dezelfde fout gemaakt. Radar heeft blijkbaar meer verstand van verzekeringen dan van auto’s… Beroepshalve weet ik meer van auto’s en milieuprestatievergelijkingen. Nieuwsgierig ben ik meteen Spinella’s rapport gaan lezen: 458 internetpagina’s met duizenden getallen, na drie dagen was ik erdoor, dizzy. Eerste indruk: een schat aan informatie, vernietigender voor Detroit dan voor Toyota, en interessante munitie voor autohaters. Helaas ook: een ondoorzichtige brij van gegevens, en onnavolgbare interpretaties op basis van speculatieve rekensommetjes, voor leken - zoals consumenten en journalisten - totaal onbegrijpelijk. Wie alleen zijn conclusies of eindcijfers gebruikt gaat de mist in. Aan Radar heb je dan niks. 
   Op 7 maart kwam dat in De Leugen Regeert; helaas werd “de leugen” niet goed belicht. Die regeert intussen door; veel mensen zijn in verwarring gebracht. Wat deed Radar dan fout?
Door de Prius te laten racen tegen een snellere Toyota Auris [uit een ander segment] krijg je geen representatieve praktijktest. Niemand koopt een Prius voor de topsnelheid. Het recente lezersonderzoek van Autoweek toont daarentegen aan dat de Prius in de praktijk juist top-scoort op techniek en probleemloos gebruik. Werd niet vermeld. Radar betichtte Toyota van regelrecht bedrog met hun “testverbruik” van 1 op 15; dat bewijst dat Radar niet kan rijden. Autotests bewijzen dat het praktijkverbruik meestal flink hoger is dan de EU-testcyclus – zie de Honda Civic diesel met 1 op 12,1 vergeleken met 1 op 19,2 in EU-test. Radar liet Ton Roks van Autovisie als deskundige commentaar geven; die uitgesproken milieuscepticus is niet objectief. Wat Spinella over de (korte) levensduur van Prius-banden vertelde is eenvoudig te weerleggen. Markant feit: één Hummer-band weegt meer dan 4 Prius-bandjes! Cornelis Kit en ik lijken overigens de enigen die het hele rapport gelezen hebben. De hype van Spinella is intussen wel door Jan en Alleman overgenomen als was het een wetenschappelijk bewezen feit van het kaliber maan-draait-om-aarde. Man bijt hond, zo noem ík het. Na lezing van het rapport snap ik hoe de fabel van de Hummer en de Prius in de wereld gekomen is.
    Ik bewonder Spinella’s poging om het energiegebruik van alle in de VS in 2005 verkochte auto’s te berekenen (d.w.z. voorspellen) over de hele levensduur, als “maatschappelijke energiekosten” in dollars per mijl. Nog nooit is het enig onderzoekinstituut gelukt de “externe kosten” (d.w.z. de onbetaalde kosten van energie/milieu/ongevallen) per autotype objectief vast te stellen. Dat betreft alle (keten)effecten van wieg tot graf, ofwel “cradle to cradle”. Iets dergelijks doet de PvdD met koeien: zie mijn Tunnelvlees. De hamvraag daarbij is: wat tel je mee?! Spinella telt alles mee: hoe ver werknemers van de autofabriek wonen, hoe lang ze douchen na het werk, allerlei overheadkosten, en een groot deel van de energie van de staal-, mijnbouw- en raffinagesector. Hoe hij aan die gegevens komt is een raadsel. Hoeveel woon-werk-energie verbruiken Ferrari-ingenieurs? Dat interesseert Ferrari geen bal, weten ze niet eens. Spinella blijkbaar wel, meestal per model gespecificeerd. Kritiekpunt is dus: de gebruikte gegevens zijn onduidelijk, niet objectief meetbaar of voor andere onderzoekers kenbaar. Veel gegevens zijn gewoon bedrijfsgeheim of een willekeurige aanname zonder peer review (door andere deskundigen getoetst). Verder rekent Spinella alles om naar dollars/mijl; daardoor worden de input en weegfactoren oncontroleerbaar in eenheden als joules, liters brandstof of CO2. Zijn aannames zijn vaak uiterst betwistbaar. Hij baseert zijn voorspelling voor de toekomstige energiekosten [tot 2040!] namelijk op statistische gegevens over dezelfde of vergelijkbare autotypen. Dat is nattevingerwerk. Verwachte levensduur en kilometrages bepalen de uitkomst. Die correleert hij direct aan technische ingewikkeldheid: hoe meer elektronica in een auto, hoe korter die meegaat, hoe meer reparaties en garage-energie nodig zijn en hoe meer energie de sloopfase kost. Zo neemt hij voor “de Hummer” (meestal bedoelt hij de H3) de H1 als uitgangspunt. Die gaat volgens hem gemiddeld 35 jaar en 550.000 km mee; zo worden de hoge produktie/onderhoudskosten over veel km uitgesmeerd. Impliciete aanname is blijkbaar dat benzine tot 2040 nog steeds goedkoop is. Voor de Prius 2 neemt hij het (semi-experimentele) type 1 als uitgangspunt, in de VS vooral boodschappenauto met veel korte ritten. Voor de Prius 2 neemt hij daardoor 12 jaar en 170.000 km aan. Verder gaat hij bij alle hybrides uit van extreem hoge productie-energiekosten en reparaties. Zelfs sloop en schadeherstel zijn duurder dan bij allerlei sportauto’s, waarvan vaststaat dat die veel brokken maken en gruwelijk duur om te repareren zijn en meestal jong sneuvelen. De aanname dat een Prius vaak reparatie en nieuwe accu’s nodig heeft en moeilijk te repareren is, heb ik een bevriende Toyota-dealer met een paar honderd Prius-klanten voorgelegd. Ondanks veel klokjes-rond is er nog nooit een accu vervangen; de Prius 2 vraagt minder reparaties dan gewone auto’s. Toyota geeft 8 jaar garantie op de techniek! Schades komen minder voor: wie Prius rijdt scheurt niet. Vreemd dat Spinella beruchte wegenwachtklanten als Maserati en Range Rover beter laat scoren dan de Prius 2, die in de Autoweek Tevredenheids Trofee 2007 qua betrouwbaarheid top is. Moderne auto’s raken al van een kleine tik total loss zonder dat motor/aandrijving geraakt zijn. Toch rekent hij voor de Prius 900% hogere reparatie-energie, want “hybride-onderdelen vergen enorm veel energie”. Vreemd, want de wereld zit vol elektromotoren, accu’s en elektronica, zoals in miljarden mobieltjes. Een Prius recyclen kost volgens Spinella meer energie dan een Audi A8 of BMW X5 met 4WD-techniek of een Ferrari [ongespecificeerd]. Hybrides straft hij extra omdat ze uit bijzondere onderdelen bestaan die “niet bruikbaar in andere auto’s” zijn. Maar dat geldt intussen voor alle moderne auto’s, die steeds specifieker qua motorisering en carrosserie worden, zelfs de Hummer. De technische ontwikkeling daarvan betaalde US Army, die rekent hij niet mee. R&D voor de Prius 1 en 2 mag je m.i. uitsmeren over alle hybride-generaties die nog komen en dus niet alleen aan type 2 toerekenen. De transportenergie van grondstoffen en (half)producten telt bij hem extreem zwaar, maar hij vergeet dat toe te passen op de Amerikaanse SUVs die Europa importeert. Elke auto gebruikt jaarlijks zijn gewicht in benzine. Ook olie komt van ver, daar worden oorlogen om gevoerd; de energie voor de Golf- en Irak-oorlog [die Amerika zonder olieverslaving nooit begonnen zou zijn] zou in Spinella’s opzet ook moeten meetellen in het brandstofverbruik van al die dikke SUVs! Fundamenteel bezwaar heb ik tegen het feit dat hij consumentengedrag en gebruikspraktijken uit de VS direct vertaalt in objectieve technische voertuigeigenschappen, die dan ook in Europa gelden. Zijn grootste fout is het hanteren van absolute getallen waar grote bandbreedtes geboden zijn – zoals de echte wetenschappers in IPCC doen voor de zeespiegelrijzing. Maar Spinella lijkt geen onzekerheden te kennen.
Toch mag Detroit niet vrolijk worden van de kern van zijn rapport: auto’s verspillen enorm veel energie en grote auto’s leggen een veel groter beslag op energie en milieu dan kleine simpele auto’s. Modellen die lang ongewijzigd in productie blijven zijn het beste voor het milieu. Spinella zou de Eend en de (oer)Mini dus heel goede scores geven, net als de Kever!
Radar heeft grove fouten gemaakt door geen echt feitenonderzoek te doen. Bovendien is de Amerikaanse automarkt niet te vergelijken met de Nederlandse. Garages en onderhoud staan er op bedroevend laag peil, sloperijen werken primitief [geen STIBA-systeem], de auto wordt er bij gebrek aan goed OV voor elke scheet gebruikt (zoals een brommer bij onze 16-jarigen) en de brandstof kost(te) er bijna niks. Kortom: de auto in de VS lijkt in niets op die in Europa.
Meer weten? Google: radar – CMW dust to dust – Hummer – Prius.
25-03-2008 16:37
Martin Kroon2 reactiesreageer
TukTuk
TukTuk in Zandvoort
TukTuk

“Als ik Mercedes wil rijden, bel ik wel een taxi.” Dat staat op de oude gele BMW 320 uit de jaren zeventig waar ik wel eens langs fiets. Ik zit niet vaak in een taxi, want ik zit niet graag in een taxi. Dat terwijl ik groot fan ben van mobiliteitsdiensten. Maar ik kan geen diensten bedenken die zulke slechte dienstverlening combineren met zo’n hoge prijs onder zoveel concurrentie. De markt is inmiddels zo verziekt dat geen enkele grote partij zich er meer aan waagt. Waardoor de kans dat je een rotte eenpitter treft - die je onbeschaamd loopt te naaien - manshoog wordt. Maar uit onverwachte hoek komt een tegengeluid, het klinkt als ’Tuk Tuk’.

Een TukTuk is een driewielig wagentje uit Thailand. Het ziet er op z’n minst exotisch uit. Ik heb er een stukje in mogen sturen en ik kan je zeggen: een aanrader. Geweldig! Je zit in een uiterst kitsch karretje van chroom en tentdoek. Hij is vrijwel helemaal open waardoor je door de wind en het geluid een bijzondere snelheidssensatie krijgt. Het is een beetje als kamperen. Je moet er waarschijnlijk van houden: het avontuurlijke zit hem in het spartaanse. Ik ben inmiddels wel een beetje bevooroordeeld omdat ik sinds kort meewerk aan de nieuwe TukTuk, maar ik ga er vanuit dat u een beetje tussen de reclame door kunt lezen.

Nu zijn TukTuks nog stinkende Thaise driewielers en dus niet veel beter dan een stinkende Duitse buikschuiver. Gelukkig hebben ze in Nederland wel gekozen voor een kleine 4-takt uit een Diahatsu die toch wel significant minder CO2 en NOx uitstoot dan een taxi. Daardoor zit de vaart nu goed in het bedrijf. Ze zoeken naargeestig naar nieuwe chauffeurs. De NS heeft een pilot met de wagentjes die landelijke aandacht krijgt. Het meest treffend vond ik de reactie van de Amsterdamse taxicentrale TCA op deze actie: “dat wordt oorlog”. Dat lijkt me duidelijk een reactie van een klantgericht bedrijf.

Je kunt het overigens in Amsterdam, Den Haag en vanaf mei ook in Rotterdam proberen. De dienstverlening van TukTuk vind ik wèl transparant. Ze kennen een zonesysteem zonder voorrijkosten. Je betaalt €3,50 voor 1 persoon, €5,00 voor 2 en €6,50 voor drie personen. Vervolgens betaal je €3,00 per extra zone, ongeacht het aantal passagiers. Volgens mij is dat goedkoper dan een taxi, maar ik begrijp nooit helemaal wat dat kost.

De volgende stap is elektrisch. TukTuk is bezig met het ontwikkelen van een elektrische TukTuk die misschien wat inlevert op het kampeergevoel, maar dat dan ook aanspreekt op het caravan- en hotelpubliek. Elektrisch is overigens nog lang niet eenvoudig. Ondanks dat elektriciteit namelijk een fractie kost van benzine heeft het tal van andere nadelen. Dat zit hem eigenlijk alleen in de opslag. Er zitten uitdagingen aan de laadtijd, het bereik op één laadbeurt en de kosten. De accu’s die nu te koop zijn laden al vrij snel, maar dat kost nog steeds enkele uren. Snellaadtechnologie bestaat, maar staat nog in de kinderschoenen. De capaciteit van de moderne accu’s is toereikend voor dagelijks gebruik, maar dan hebben we het nog wel over vele tientallen kilo’s aan batterijen. En hoe beter de accu scoort op deze factoren hoe forser de kosten van de afschrijving. Deze zijn een veelvoud van de kosten aan elektriciteit. Op deze pagina van groenopweg staat dat overigens erg goed uitgelegd.

Elektrische aandrijving kent naast bovenstaande nadelen eigenlijk alleen maar voordelen. Een elektromotor is veel efficiënter en vergt veel minder onderhoud. Daarnaast kan je hem ook gebruiken als dynamo bij het remmen. Zo win je veel energie terug. Elektriciteit valt goed duurzaam op te wekken en er ligt al een distributienetwerk. Een rekensom leert dat het voor TukTuk nu al loont om over te stappen. Het zoeken is nu naar investeerders die dit willen financieren. Als je dus nog ideeën hebt of mensen kent, laat het me weten!

Links:

www.tuktukcompany.nl

21-03-2008 16:33
Jacco Lammers1 reactiereageer
   
De emotionele spagaat duurde voort, hoe verenig ik duurzaamheid, mijn bijdrage aan een beter klimaat met de start van mijn autosportcarrière?

Ik word niet blij van wat de meeste fabrikanten mij als auto(sport)liefhebber als klimaatvriendelijk alternatief te bieden hebben. Een auto met dikke wielen is fijn, banden met lage rolweerstand zijn smal en klein. Iedere liter benzine geeft kracht en CO2 uitstoot, minder CO2 is minder benzine en dus minder kracht en dus een saaie auto. Nu is vormgeving een kwestie van smaak, maar stripped down instapversies van de gangbare modellen zijn niet de meest sexy keuze. De Daihatsu Cuore, Hyundai i30, maar eigenlijk ook de Toyota Prius, Honda Civic Hybride zijn allemaal slecht vormgegeven auto’s zonder (geslachtsdeelverlengend) vermogen!
 
Een auto is pure emotie die het best naar voren komt in de autosport. Al zolang er auto’s bestaan wordt er mee geracet, beroemde rally’s met Saab en Mini Cooper, de schitterende Le Mans historie van Jaguar, Porsche en Bentley, de rijke Parijs Dakar verhalen van Peugeot, de Formule 1 successen van Renault en ga zo maar door. Na voetbal trekt de auto- en motorsport de meest media aandacht in Nederland, zo kijk ik samen met 1.000.000 mensen naar een Formule 1 race, zou ik dagelijks met 443.000 anderen de helaas afgelaste  Dakar te kijken en heb ik in Nederland 15.000 actieve collega auto- en motorsport licentiehouders.
Mensen zijn gek op autosport, het niet voor niets dat ieder automerk de uitdrukking: “race on Sunday, sell on Monday” kent. Van vroeg af aan mikken automerken op de aantrekkingskracht van de sport op zondag in de hoop dat ze maandag erna een zelfde auto kunnen verkopen aan de wannabe coureur!

Uit de behoefte om niet het plezier te verliezen van de auto en tegelijk duurzaam te zijn ontstond de oplossing. Er zijn nu al genoeg technieken die zowel duurzaam zijn als spectaculair, er zijn manieren om auto te rijden zonder verlies van plezier en kick. Duurzaam autorijden kan sexy en de autosport kan groener, twee vliegen één klap. Duurzame Auto en Motorsport!.

In 2005 werd Stichting GUTTS geboren! GUTTS is hét platform voor Duurzame Auto- en Motorsport. Ambitieus gingen enkele autosportenthousiastelingen, een paar goeie techneuten, een verdwaalde klimaatdeskundige en ik aan de gang en inmiddels zijn de eerste resultaten daar en laten precies zien wat GUTTS bedoelt.
Eind november 2007 reden we een rally BMW 325i op Bio-ethanol als 5 min auto in de laatste ronde van het Nederlands Kampioenschap in Hengelo. Waanzinnig, we kregen zoveel aanspraak van het publiek, de media, collegarijders en ook de KNAF.
 
GUTTS ondersteunt een privé initiatief voor deelname met een waterstof aangedreven Subaru WRX STi  in Nederlands Rally Kampioenschap in 2009 en in 2008 hebben we op zeker meerdere deelnemers op Bio-ethanol in het Nederlands Rally Kampioenschap.
GUTTS bouwt samen met Henno van Bergeijk en de HTS Autotechniek een Yamaha WR 450 op E85 voor internationale rallies en misschien Le Dakar 2009.
 
  
Een auto is zoveel meer dan een vervoermiddel, het zegt wat over ons, we willen dat het dat wat zegt over ons, we zoeken de auto er op uit. Het imago van klimaatvriendelijke auto’s nu is enkel groen, het is niet spannend, niet genoeg mensen kunnen er iets mee, het is niet wie ze willen zijn. Wil klimaatvriendelijk autorijden lukken dan moet het sexy worden, leuk. Hoe? Heel simpel, gewoon laten zien dat het leuk is!

GUTTS hoeft niet op papier uit te leggen wat de voordelen van E85, CNG en waterstof zijn. GUTTS komt met steeds meer equipes, driftend, met gloeiende remschijven, vlammende uitlaten, door duizenden mensen gadegeslagen op alternatieve brandstoffen een bocht uit! En dan praat het plots een stuk makkelijker over duurzaamheid!
14-03-2008 14:33
Edward Goossens5 reactiesreageer
Net als collega-blogger Cornelis ben ik geboeid door de discussie over CO2-compensatie. Een discussie tussen gelovigen en niet-gelovigen, wat mij betreft. En ik geloof er niet in. Ik beschouw het als een groene schaamlap. En die scepsis wordt de laatste tijd gevoed door tal van publicaties. Cornelis haalde er al een paar aan. Bossen die niet bestaan of al weer gekapt zijn. Aanplant die pas over 80 jaar effectief is. Zelfs Greenpeace is wat dit betreft van zijn geloof gevallen.
Toen ik op een paar sites rondneusde waar oppassende burgers en maatschappelijkverantwoordondernemende ondernemers de mogelijkheid wordt geboden klimaatneutraal te worden, constateerde ik dat je al voor 34 euro een jaar klimaatneutraal auto kan rijden. Zie de rekenmodule op www.klimaatneutraal.nl. Een koopje. Andere groene gewetenssussers op internet leveren vergelijkbare bedragen op. Dat is te mooi om waar te zijn. Als het werkelijk zo simpel zou werken, dan was morgen het Nederlandse CO2-probleem opgelost. In elk geval wat personenauto’s betreft. Reken maar mee. Gemiddeld rijdt een auto zo’n 17.000 kilometer. Dat staat gelijk aan een CO2-uitstoot van 3,4 ton. Die uitstoot compenseren kost volgens de compensatiebedrijven jaarlijks 34 euro. Nederland telt 7,4 miljoen auto’s. Keer 34 euro is jaarlijks 251,6 miljoen. Een schijntje op de Rijksbegroting. En precies de helft van wat de overheid dit jaar aan extra belastingen en heffingen ophaalt bij de automobilist (slurptaks, roettaks, hogere accijns, enfin u kent het rijtje zo langzamerhand). Meteen doen overheid, zou je zeggen. Is veel simpeler dan een heffing hier, een bonus daar, een hybridepremie zus en een BPM-malus zo.
 
Of ik maak een denkfout.
Of er klopt iets niet aan dat compensatieverhaal.
Of dit is het ei van Columbus.
 
Ik ga voor optie 2.
 
10-03-2008 09:32
Paul de Waal2 reactiesreageer
Jaknikker | Foto: ANP
Onze olieverslaving wordt ingedamd door schaarste.
Eindelijk is het wat stiller geworden rond Al Gore en zijn gelikte film vol waarheden en goedbedoelde demagogie. Als milieuman ben ik blij met alle aandacht maar tegelijk krijg ik kromme tenen van de hijgerige media, met alle onzin, overdrijvingen en bangmakerij die het - geheugenloze - journaille ervan bakt. Gore zei niks nieuws, hij brácht het alleen beter dan wie dan ook, en daar worden andere publicisten jaloers op. Als er één instantie is die niet aan overdrijving en bangmakerij doet, dan wel het IPCC, het Intergovernmental Panel on Climate Change, de andere Nobelprijswinnaar. In die cluster werkgroepen van gerenommeerde wetenschappers wordt onder VN-vlag samengewerkt aan onderzoek, analyse en kennisverspreiding over alle oorzaken en gevolgen van het broeikas/klimaat-probleem. Het IPCC is juist conservatief en sensatievermijdend te werk gegaan met hun waarschijnlijkheidsanalyses en (onder politieke druk!) onderkoelde conclusies. Zoveel omzichtigheid heb ik bij economen, bankpresidenten of politici - van welke (haar)kleur ook -nooit waargenomen als het om uitspraken over trends of prognoses op hun (vak)gebied gaat.
 
Waar ik mij na de Gore-hype regelmatig aan geërgerd heb zijn de klimaatsceptici. Sommigen hadden professorale status, zoals Böttcher (Club van Rome); die vond klimaat minder belangrijk dan aids of bodemverontreiniging (?!). Typisch geval van appels en peren; álle mondiale problemen zijn urgent! Recente aandachttrekker was Kroonenberg, wiens relativering (“de aarde is al vaker opgewarmd, waar maken we ons druk over”) volgens geologische tijdschalen klopt, maar niet voor wie nu leeft en vooruitkijkt, zoals regeringen. Zijn oppervlakkige berekeningen zijn al door collega’s als Brinkhuis (RUU), die deelnam aan de Arctic Coring Expedition de grond in geboord. Brinkhuis c.s. heeft m.b.v. opzienbarende diepzeeboringen bij de Noordpool het cruciale verband tussen snelle opwarming en CO2 opnieuw aangetoond.
 
Ergerlijker zijn de journalistieke azijnpissers als Rozendaal van Elseviers en de pseudo-wetenschapper Hans Labohm. Die heb ik nu zo vaak in media en op symposia meegemaakt in hun rol van officiële, door God zelf erkende en onvermijdbare Gore-vreters dat je je afvraagt aan welke bijzondere gaven zij die intussen lachwekkend geworden status ontlenen.
 
Iedereen met mensenkennis kan - nu ze wetenschappelijk afgebrand zijn - nog maar één verklaring voor zulke volhardende dwarsliggerij bedenken en dat is: EGO. Evenals bij eloquente types als Pim Fortuyn en bij sommige politici is de behoefte aan aandacht, erkenning, waardering en gezien worden de dominante drijfveer achter hun geëmotioneerde dwarsliggerij. Voor hén kwam de klimaathype als geroepen. Iedere revolutionair en geboren dwarsligger zoekt immers een bij zijn (leef)tijd en positie passend onderwerp of vijandbeeld om zich daar vervolgens levenslang in vast te bijten en identiteit aan te ontlenen. Het beroep dat deze pseudo-wetenschapsjournalisten doen op hun grote voorbeeld Galilei is psychologisch veelzeggend: “kijk mij eens, ik durf ook dwars tegen de stroom in te gaan!” Ik zie eerder Don Quichotte voor me. En zo houden ze zich boven de aanzwellende stroom wetenschappelijke gegevens dapper vast aan de strohalm van de zonneactiviteit of wat dan ook. Als ze loslaten - nooit dus - verliezen ze hun identiteit en valt hun zelfbeeld in duigen. De sceptici gaan uit van een optimistisch vooruitgangsgeloof met de vrije markt en de techniek als panacee voor elke kwaal. Dat verdraagt geen sombere analyses of rigoureuze ingrepen in consumentenvrijheden.
 
Helaas slikken hele volksstammen hun geruststellende boodschap en vergroten columnisten, leken-journalisten (ook Autoweek, zie columns van Tonie en Cornelis) en bloggers als Hajo Smit met badinerende en denigrerende Gore-stukjes de verwarring bij hun leken-lezers. Het doet mij denken aan de rokers en tabaksfabrikanten in de tijd van dokter Meinsma, die tegenover steeds harder medisch bewijs bleven ontkennen dat roken kanker veroorzaakt, met als argument dat er veel kerngezonde kettingrokers van wel 90 jaar oud waren.
 
Heren, het is journalistiek gewoon onprofessioneel wat jullie doen. Jullie slikken braaf de grootste onzin die de auto-industrie verkoopt en niet wat wetenschappers formuleren! Draai niet langer om het slechte nieuws heen. Shit blijft shit, hoeveel parfum je er ook op spuit. Jullie koe blijft echt wel heilig en aanbeden.
 
Ik ga de klimaatdiscussie niet overdoen, want ik ben geen “klimaatwetenschapper”… Terugkijkend op 30 jaar beleidservaring met tegenstribbelende sectoren staat voor mij één ding vast: als de olie- en auto-industrie en de OPEC ook maar één stok tussen de IPCC-spaken hadden kunnen steken, zouden ze het allang gedaan hebben. Shell, BP, RABO of Philips zijn niet gek. Alle grote bedrijven hebben klimaatstrategieën ontwikkeld, en geharnaste klimaatsceptici als George Bush en EXXON zijn nu ook om. Net als de autofabrikanten (ACEA) richten die zich nu op de (technische) oplossingen en op de hamvraag: hoe verdelen we de pijn. En wij rijden dagelijks langs het prijskaartje.
 
We hebben het klimaat helemaal niet nodig als argument om onze olieverslaving in te dammen: toenemende energieschaarste zal in deze eeuw even desastreus worden als klimaatverandering. Gelukkig kunnen mijn kinderen mijn kano’s en fietsen erven….
25-02-2008 13:45
Martin Kroon2 reactiesreageer
Toyota Brake Assist
Toyota Brake Assist
Volvo veiligheid
Volvo radar
In mijn vorige artikel propageerde ik het gebruik van een vermogen-gewicht ratio in artikelen in plaats van gebruikelijk: het aantal PK’s. Als we de mens niet kunnen veranderen, hoe gaan we dan moderne auto’s ontwerpen is de volgende vraag?

Afgelopen zaterdag was de eerste c,mm,n garage, een evenement waarbij mensen die interesse hebben in de open-source auto ’c,mm,n’ elkaar in ’first life’ konden aanvullen in een aantal brainstorm-achtige sessies. Er waren mensen van een pluriform pluimage, al waren het vooral mannen. Van studenten en professionals tot ondernemers en kunstenaars. Je mocht zelf onderwerpen inbrengen en dan een groepje om je heen verzamelen om dat uit te werken. Ook kon je er elk moment uit stappen en naar een ander groepje wandelen. Alles werd genoteerd op de wiki op www.cmmn.org.

In de tweede ronde heb ik het erop gewaagd en het onderwerp ’dragende structuur’ (chassis) in de groep gegooid. Dat startte meteen met een vlaag aan ’criteria’ van alle deelnemers. Daarbij was een lage massa volgens iedereen het belangrijkst, daarna veiligheid. Maar daar kwamen we gezamelijk op een interessant punt.

In de huidige veiligheidsystemen heb je het onderscheid tussen primaire and secundaire veiligheidsystemen. De laatste kennen we uit de Euro NCAP test waarbij je een auto tegen de muur smijt met 64 Km per uur. De technologie die de inzittende helpt de krachten van een botsing te overleven noemen we secundaire veiligheid. Dit is waar automobielfabrikanten de afgelopen 50 jaar miljarden in geïnvesteerd hebben. En niet zonder resultaat: denk aan airbags, veiligheidskooien en het immer dalende sterftecijfer onder automobilisten.

Primaire veiligheid daarentegen, richt zich op het verminderen van de kans op een crash of zelfs het volledig voorkomen ervan. Deze technologie zit in de lift en belooft wat. Mercedes, Honda, Lexus en Volvo bieden al systemen die zorgen dat de auto zelf afremt bij een bijna-botsing. Dit vermindert de kans op whiplashes en de kosten van eventuele schade. Daarom heeft een grote Engelse verzekeringsmaatschappij zich volledig achter deze technologie geschaard.

Wij, vanuit de wat groenere hoek, kunnen ons daarbij aansluiten. Door gradueel de secundaire veiligheid van auto’s te verminderen en exponentieel de primaire veiligheid te vergroten, ontstaan veel duurzamere auto’s!

De Euro NCAP test is gebaseerd op statistiek: ongeveer 1% van de botsingen gebeurt boven de gekozen snelheid van 64 Km per uur. Wanneer actieve systemen aantoonbaar deze statistiek beïnvloeden en deze snelheid omlaag brengen, kan ook de secundaire veiligheid verminderd worden. Dit heeft als gevolg: lichtere auto’s met minder verzekeringskosten en een lager (goedkoper) brandstofverbruik. En als je zou kijken naar de vermogen-gewichtsverdeling, komt deze gunstiger uit dan huidige auto’s. Je komt in een positieve spiraal.

Duurzaamheid kent sociale, economische en ecologische factoren. Mijn moeder zei altijd al: voorkomen is beter dan genezen. En dat doet primaire veiligheid: het voorkomt sociale problemen rond verkeersonveiligeid, is economisch aantrekkelijk en kan de ecologische voetafdruk van auto’s significant verminderen. Er is een probleem. Mensen moeten het wel willen, daarom moeten we op zoek naar de romantiek van de intelligentie. Maar ook dat ligt (of: licht) binnen bereik: de verlichting is nabij.

Links:

www.cmmn.org

http://www.thatcham.org/ca/

22-02-2008 10:33
Jacco Lammers2 reactiesreageer
Brandstofprijzen | Foto: ANP
Zelfs binnen de milieubeweging en VROM gelooft bijna iedereen dat dieselauto’s - én LPG-auto’s - goed zijn voor het klimaat. De autobranche roept dat van de daken. In de EU en nu ook in de USA wordt de dieselauto algemeen als klimaatvriendelijk gezien, aangezien dieselauto’s - technisch gesproken - gemiddeld 15% minder CO2 uitstoten dan hun benzine-broertjes. Dat is dan ook het enige dat klopt aan deze (veronder)stelling. Als het al waar zou zijn, zouden de CO2-verkeersemissies van landen met een hoog dieselaandeel, zoals Frankrijk en Oostenrijk, fors moeten dalen. Dat is niet zo; alleen in België - ook meer dan 50% dieselaandeel - daalt de CO2-uitstoot, maar dat komt door afname van de voertuigkilometrage en door maatregelen met gratis openbaar vervoer – daar kan Nederland nog wat van leren! De afname van de gemiddelde CO2-emissie per nieuwe auto in de EU - nog steeds ruim boven de norm van 140 gram - is ook vooral te danken aan de groei van het aantal dieselauto’s maar resulteert niet in een afname van de totale verkeersemissies. Om ooit 120/130 gram te halen wil de branche nog meer diesels in de markt zetten. Door blindstaren op de technische reductie van 15% zien overheden, industrie en milieubeweging de negatieve gedragseffecten van een fuel shift van (dure) benzine naar goedkopere diesel [en LPG] volledig over het hoofd. Die effecten zijn door het prijsverschil aan de pomp en door het verschil in vaste kosten zodanig dat elke denkbeeldige milieuwinst meer dan gecompenseerd [trade-off] en tenietgedaan wordt door de meerkilometrages en door dynamischer rijgedrag. Wie als particulier op diesel of LPG overstapt gaat méér km rijden, dat is de economische wetmatigheid van de prijselasticiteit van autobrandstoffen. Met andere woorden: gegeven de (onverzadigde) potentiële vraag zal een lagere prijs tot meer gebruik=kilometers leiden. Dat was ooit precies het argument van de RAI tegen de semi-gratis OV-jaarkaart voor studenten en tegen gratis openbaar vervoer sowieso. Nog sterker: met hetzelfde brandstof-budget kun je op diesel en LPG 50% tot 100% meer kilometers maken en dus bijvoorbeeld steeds verder van je werk gaan wonen. Ik moet de eerste diesel/LPG-rijder nog tegenkomen die het OV blijft gebruiken als dat duurder is dan de variabele kosten [altijd dus]. Daar komt bij het gebruik-stimulerende effect van de hogere vaste kosten, die “terugverdiend” moeten worden. Wie die gedragseffecten ontkent of negeert (RAI/BOVAG én de overheid zelf) meet met twee maten, want de branche zelf propageert diesel en LPG juist met de leus: “hoe meer je rijdt, hoe meer je verdient!” Weg CO2-reductie, integendeel: diesel en LPG vergroten de jaarlijkse emissies per voertuig en in totaal. Daar komt nog het upgradingeffect bovenop: grote, snelle en dikke auto’s zoals SUVs, die met een benzineverbruik van >15 ct/km steeds onaantrekkelijker zijn geworden, zijn in diesel/LPG-uitvoering nog wel betaalbaar per km. Ergo diesel en LPG verhinderen de broodnodige downsizing en verminderen de gedragsprikkels die de hoge benzineprijs wel geeft ten gunste van selectief autogebruik en een zuiniger rijstijl. Dankzij het fiscale beleid van oudsher, dat diesel en LPG goedkoper gehouden heeft dan benzine, zal bevordering van deze goedkope brandstoffen dus geen milieuvoordeel opleveren zolang dat leidt tot extra autogebruik en dynamischer rijgedrag [ooit geturfd welke auto’s je inhalen?!].
Anders dan Cornelis Kit beweert, is de productie van diesel niet minder belastend maar kost juist meer energie dan die van benzine. Volgens een recente analyse van Europa, de koepelorganisatie van de petroleumindustrie, wordt het steeds moeilijker om uit een barrel olie nog meer (hoogwaardige) diesel te destilleren. De enorme vraag naar diesel in Europa heeft wereldwijd een onbalans tussen diesel en benzine veroorzaakt. Daardoor worden nu enorme stromen benzine vanuit Europa richting USA verscheept en omgekeerd diesel naar de EU, ook uit Rusland. Deze onbalans in raffinage, vraag, aanbod en distributie zorgt er op zich al voor dat van de CO2-reductie per dieselauto in 2015 netto niets overblijft. Als de branche durft beweren dat diesels met roetfilter (Euro4) klimaat- en milieuvriendelijk zijn, terwijl hun NO2-emissie (conform de EU-norm overigens) aantoonbaar vele malen hoger is dan van benzine of LPG, dan is dat gewoon in strijd met de waarheid en met de reclamecode voor auto’s. Diesel is goed voor de portemonnee, meer niet.
Hoe dan verder met diesel? Diesel - en LPG - moeten m.i. fiscaal gelijk aan benzine behandeld worden. Meerkilometrage wordt zo ontmoedigd. Diesel blijft de brandstof voor zware en zakelijk gebruikte voertuigen, die een lage prijselasticiteit kennen. Voor stedelijke distributie (bestelauto’s) zijn LPG en CNG milieutechnisch superieur aan diesel. Stimulering of ontmoediging van welke milieutechnische optie dan ook moet in principe via de vaste belastingen zoals de BPM en/of subsidies plaatsvinden, nooit via de literprijs.
En Amerika dan? Daar zou diesel een zegen zijn als ze hun dikke SUVs en pick-ups á 1 op 6 vervangen door semi-groene Blue Motions á 1 op 25……
21-02-2008 10:05
Martin Kroon1 reactiereageer
Jatropha planten op plantage
Jatropha struiken geven schaduw aan jonge aanplant
Jatrophaheg
Jatropha, niet per se in bossen maar ook als haag
Dat we CO2 uitstoten is een feit, maar of we met die CO2 ook invloed op het klimaat hebben, daar ben ik nog steeds niet helemaal van overtuigd. Bij het krampachtig terugdringen van de CO2-uitstoot zet ik dan ook m’n vraagtekens. Het enige positieve aan de rem op onze kooldioxideproductie is dat het tevens een reductie betekent van onze brandstofconsumptie.
 
Met dit laatste in gedachten kan ik me nog wel vinden in de oplossingen die de industrie aandraagt zoals down-sizing van motoren, hybride aandrijflijnen en alternatieve brandstoffen (waaronder ook duurzaam opgewekte elektriciteit). Reductie van zowel de CO2-uitstoot als de brandstofconsumptie lopen hier hand in hand.
 
Reduceren is dus oké, maar ik zie absoluut geen heil in compensatieacties; bomen aanplanten om je geweten te schonen. Hier begrijp ik werkelijk niets van. Wie houdt wie voor de gek? Het compenseren is al bekend van de vliegreisjes waarvan je de CO2-productie zou kunnen vereffenen. En ook in autoland is het fenomeen niet vreemd. Je kunt het vrijwillig doen en in sommige gevallen wordt het voor je gedaan wanneer je een auto koopt. Stel dat ik ongelijk heb en onze CO2-productie wel invloed zou hebben op het klimaat, zou compenseren überhaupt zin hebben? Ik ben bang dat de jonge aanplant minder CO2 opneemt dan jij met je auto uitstoot. Het lijkt me beter er voor te kiezen om de auto gewoon bewuster (in de praktijk dus minder) te gebruiken. Scheelt naast CO2 ook brandstof. O, en verder is de betrouwbaarheid van de diverse projecten niet altijd onomstreden. Geen van de via Nederland gesteunde compensatieprojecten zou volgens een bericht van De Volkskrant voldoen aan het keurmerk van het Wereld Natuurfonds.
 
Blijkbaar werkt het compenseren van CO2 wel als verkoopargument (of in elk geval om je groen te profileren), want de Nederlandse Kia-importeur heeft nu ook Trees for Travel omarmd voor een vereffeningsprogramma: afhankelijk van model en type maakt de importeur een bedrag over voor een project met jatropha-struiken in Mali. Voor de lokale bevolking is dit soort projecten toe te juichen en verder zijn de noten van de jatropha-plant te gebruiken voor bijvoorbeeld het produceren van biodiesel. Prima. Maar houd wat mij betreft de CO2-factor een beetje op de achtergrond. Als je als autofabrikant iets ‘groens’ wilt doen, steek dan geld in de ontwikkeling van motoren (desnoods met nabehandelingssytemen) en brandstoffen waarmee de uitstoot van echt schadelijke elementen zoals fijnstof, NOx en andere ellende tot het absolute minimum worden terug gedrongen, dat lijkt me veel relevanter.
08-02-2008 14:14
Cornelis Kit8 reactiesreageer
Ford F-150 FX2 Sport
De razendpopulaire Ford F-150

Op mijn tiende (her)kende ik alle vleugels van de Amerikanen uit de fifties. Als student heb ik jarenlang V8 Chrysler limo’s bestuurd, bij begrafenissen en trouwerijen, als bruidscoupé een ‘66 Thunderbird, een ouwelullenkar, veel blingbling en sturen met je pink. In 1969 “USA for 5 dollar a day”; met een nieuwe Impala dwars door the West. Afgelopen zomer was ik eindelijk back in the USA om een catamaran naar Europa terug te zeilen. In Norfolk [VA], thuishaven van US Navy aircraft carriers, keek ik mijn ogen uit met al die onbekende automodellen, én hun berijders. Ik was zowat de enige voetganger, de enige fietsers waren wijkagenten op MBs[!]. Wat me opviel: hoe dikker de auto, hoe dikker de eigenar(ess)en: de helft van alle auto’s zijn SUVs, pick-ups [inderdaad Cornelis: vooral F-150s] en MPV’s - niks midi, gewoon BIG en >2000 kg. De rest bestaat uit afschuwelijk vormgegeven Amerikaanse, Koreaanse of Japanse Prednison-misbaksels met veel te dikke neuzen, heupen en konten. Zelfs Golfjes en Escorts worden totaal verprutst om aan de Amerikaanse smaak te voldoen. Hun kleinste auto’s (subcompact) heten bij ons middenklassers; die worden vooral door scholieren gebruikt om één kilo hersens naar school te brengen. Net zo makkelijk zie je kinderen van 16 uit een dikke Explorer stappen om een brief van 10 gram te posten of voor een hamburger. Nieuw voor mij waren de 20 inch superbling spiegelende wieldoppen die blijven doordraaien als je auto stilstaat, hét speeltje van de lokale (black) maffioso. Je waant je voortdurend in de verkeerde TV-serie….
Alles in Amerika is over-the-top, van ijsjes, cola’s en pizza’s (te dik belegd) tot auto’s en speedbootjes met minimaal 100 pk (x 2!). Alles is gericht op maximale competitie en uiterlijk vertoon, wat helaas zorgt voor minimale inhoud - vele films, boeken en muziek uitgezonderd. Wie wil zien waar de constante upgrading in de autowereld toe leidt, moet naar Amerika. Afmetingen, vermogens, aantallen cilinders, cubic inches, gewicht, gemiddeld autobezit, totale kilometrages en brandstofverbruik, more=better! Alleen aan het Europese snelheidsgedrag kunnen Amerikanen dankzij strenge handhaving niet tippen; dat compenseren ze met zinloze volgas acceleraties richting rood licht. Als hun autovloot en autogebruik én openbaar vervoersysteem op Europees niveau waren gebleven, dan was Amerika nu nog netto olie-exporteur, was de wereld een stuk veiliger, zat de VS niet diep in het Irakese moeras en was die 400 miljard dollar aan nuttiger zaken besteed. Dan zaten we niet wereldwijd met de financiële gevolgen van the American way-of-life. Leven op de pof - lenen bij óns en de rest van de wereld! - en op te grote voet, dat doen zowel de burgers daar als de overheid; hun oversized automobielen zijn het ultieme symbool daarvan.
Goedkope olie gecombineerd met wereldmacht heeft funeste gevolgen: naast de collectieve olieverslaving ook een inefficiënte publieke en private logistiek en een 100% auto-afhankelijke ruimtelijke inrichting. En kortzichtig buitenlands beleid: Saddam Hoessein had beter voor tien miljard uitgekocht kunnen worden voor een rustige oude dag op een eiland van Palm Invest…..!
Door hun dubbele energieverbruik (vergeleken met de EU) de gemakscultuur en vrijheidsideologie zijn de VS meer dan ooit olie-afhankelijk en onvrij. De vrijheid om je dood te consumeren wordt door de (geleende) financiële injectie van Bush nog versterkt. Consuminderen? Nooit van gehoord! Geen politicus daar durft iets te doen aan het gedrag van de consument; alle kaarten worden op nieuwe technieken gezet – een vlucht-naar-voren, want alleen op lange termijn kunnen die iets opleveren. Daartegenover kan juist rigoureuze energiebesparing alsof er een oliecrisis is - die is er, alleen niet schoksgewijs - Amerika minder kwetsbaar maken. Een flink deel van de aardopwarming van de laatste decennia is veroorzaakt door de massale automobiliteit van Amerika sinds de jaren dertig. Hun Brontocars uit de jaren ’50 -’70 met 1 op 6 en de huidige Viagra-SUVs als de Hummer zijn stuitende voorbeelden van energieverspilling, disproportionaliteit en het Dikke Ik. Door hun buitenproportie global footprint zijn de Amerikanen nog steeds de grootste vervuilers en broeikasopwarmers ter wereld – nog los van de energie die in China en elders voor de Amerikaanse (over)consumptie ingezet wordt. Als de autobladen dan juichend schrijven over de “groene” Detroit Motor Show, terwijl het daar vol staat met opgeblazen pk-monsters en nog dikkere blikkenvangers, dan bevestigt dat mijn gevoel dat autojournalisten meer verstand van de genotsfunctie van auto’s hebben dan van journalistieke objectiviteit. Bij dikke SUVs en sports cars met een pietsie toegevoegde ethanol- of hybride-technologie maar met nog steeds waanzinnige vermogens, gewicht en brandstofverspilling is elke referentie aan “groen” een gotspe.

04-02-2008 11:24
Martin Kroon6 reactiesreageer
Webloggers
Paul de Waal
woordvoerder BOVAG
  Overzicht weblogs (4)
Christian Nobel
beleidsmedewerker Mobiliteit bij Stichting Natuur en Milieu
  Overzicht weblogs (11)
Hajo Smit
klimaatdeskundige, freelance journalist
  Overzicht weblogs (2)
Martin Kroon
deskundinge Verkeer en Milieu ('86 - '06) bij VROM, instr. Nieuwe Rijden
  Overzicht weblogs (26)
Edward Goossens
duurzaamheidsstrateeg
  Overzicht weblogs (3)
Jacco Lammers
Industrieel ontwerper TU Delft
  Overzicht weblogs (15)
Waar ben ik:   Nieuws   |   Weblog

Powered by AutoWeek
© 2010 Sanoma Uitgevers B.V.   |   Contact en colofon   |   Disclaimer   |   Privacy en cookiebeleid   |   Adverteren   |   RSS   |   Sitemap
Groenopweg.nl is onderdeel van de Sanoma Uitgevers Groep