|
|
1 2
Weblogs: IndustrieEerder deze week, vlak voordat de pers kennis mocht maken met het Detroitse autonieuws, kopten we met de tekst "VW: hybride heeft geen toekomst", een citaat uit de mond van de persvoorlichter van de Nederlandse Volkswagen-importeur. Zulke boude uitspraken zijn altijd goed voor een berichtje.
Wanneer echter een paar uur later de showvloer voor het journaille open gaat, presenteert Volkswagen een fraaie coupé met onder de motorkap… een hybride aandrijflijn. Ai, dit strookt niet helemaal met het eerdere bericht. Hebben we hier nu te maken met een concept zonder toekomst? Geen idee of die auto in de gepresenteerde vorm het productiestadium zal halen, wel weten we dat Volkswagen met verschillende hybride (en zelfs volledig elektrische) aandrijflijnen komt.
Weet de Nederlandse persvoorlichter dan niet wat er bij fabriek op stapel staat? Zeer zeker wel. Maar de Nederlandse importeur is geen fabrieksfiliaal doch een zelfstandige onderneming: Pon’s Automobielhandel. Inderdaad, handel. Leuk dus dat ze in Wolfsburg allemaal nieuwe dingen bedenken, maar auto’s die nog in de pijplijn zitten kun je als handelsonderneming op dit moment nog niet verkopen. De schoorsteen kan alleen roken van auto’s die daadwerkelijk de showroom uit rollen. En daar staan ook al groene Volkswagens: naast de Bluemotion-modellen zet de Nederlandse importeur in op de aardgasmodellen en om dat een nog groener randje te geven wordt geflirt met de biologische variant van aardgas: groen gas. Het mooie hiervan is dat de aardgasauto’s zoals de Passat en de Touran gewoon bij de dealer staan en dus direct te gelde gemaakt kunnen worden. Je bent tenslotte handelsonderneming of niet.
Al sinds jaar en dag biedt een aantal auto-importeurs je de gelegenheid om je nieuwe aanwinst bij de fabriek persoonlijk af te komen halen. ’t Kost over het algemeen wel iets, maar dan wordt je ook wel als een vorst onthaald. En als je het een beetje handig uitkient, maak je van zo’n fabrieksaflevering meteen een mini vakantie, lekker een lang weekend in de omgeving van München of Stuttgart en dan na afloop heerlijk met de nieuwe aanwinst weer op huis aan, versneld inrijden op de autobahn.
Je auto van de band af zien rollen zit er echter niet in, de nieuwe trots staat doorgaans te glimmen in een afleverruimte. Het kan ook niet veel anders. Wie bijvoorbeeld z’n Porsche Boxster of Cayman in Stuttgart komt afhalen wordt namelijk een klein beetje voor de gek gehouden: die auto’s worden namelijk bij Valmet in Finland gebouwd. Maar ach, Stuttgart is voor ons dichter bij huis dan het Finse Uusikaupunki.
Dan de Factory Delivery Trip van Volvo waarbij je je nieuwe C30 in Göteborg op mag komen halen. Ik misgun niemand een etentje in een sterrenrestaurant, een bezoek aan het Volvo-museum, een rondleiding door de fabriek en überhaupt het zijn in Zweden. Alleen: de C30 loopt hier praktisch om de hoek van de band, in het Belgische Gent, alwaar ze ook over prima restaurants beschikken en het weinig moeite kost om je te vermaken.
De C30 wordt dus eerst naar Zweden gebracht. Zelf mag je er dan achteraan vliegen om vervolgens weer zo’n duizend kilometer terug te kachelen. Hoeveel energiezuinigere DRIVe-modellen (al dan niet met start-stopsysteem) zijn er nodig om dat weer te recht te breien? Mochten we in 2020 massaal met elektrische auto’s rijden, dan komt het er op neer dat er binnen niet al te lange tijd de eerste grote stappen gezet gaan worden. Oftewel we staan nu aan de vooravond van een revolutie. Verschillende spelers, zowel publiek als privaat, roepen dat Nederland in deze revolutie een voortrekkersrol moet spelen. Dat klinkt goed bedoeld en ik wil geen doemdenker zijn, maar ik heb sterk het idee dat het daar al te laat voor is, als er überhaupt al een kans geweest is op een gidsende rol voor Nederland.
Een aantal elektriciteitsmaatschappijen heeft zich inmiddels op de elektrische auto gestort en lijkt pionierswerk te verrichten, maar uiteindelijk is de kans groot dat we hier gewoon iets volgens een Europees model krijgen.
De CEO van een Nederlandse dochter van een Duitse elektriciteitsmaatschappij wist me te vertellen dat zij de markt hier te lande wel aftasten, maar dat ‘het grote plan’ dadelijk gewoon van de moedermaatschappij zal komen. Binnen het concern zou het volgens de CEO namelijk een lappendeken worden wanneer elk land z’n eigen systeem met laadpaaltjes mag ontwikkelen. Waarom overal het wiel uitvinden? Hoe Nederlands Nuon en Essent nu nog lijken, eenmaal onder buitenlandse invloed lijkt het mij sterk dat ze hier maar een beetje mogen freewheelen. Zeker wanneer we van de Noordkaap tot de Middellandse Zee onze accu’s willen opladen, zou het fijn zijn wanneer we met één universeel systeem te maken krijgen. Net zoals met de gsm. Het lijkt me dan ook een illusie dat we hier nog een gidsende rol kunnen spelen.
Niet veel anders is het met de auto’s zelf. Met een paar honderd omgebouwde Golfjes winnen we de oorlog natuurlijk niet, en voordat u over NedCar begint: dat is gewoon een assemblageplaats van Mitsubishi waar vooralsnog geen elektrische auto van de band zal rollen. Alle goede bedoelingen van een handje vol entrepreneurs ten spijt, we missen gewoon een industrie die op grote schaal volwaardige elektrische auto’s kan bouwen. Hoogstens dat we iets kunnen betekenen in de toeleveringssfeer, het is namelijk niet zo dat we absoluut geen kennis in huis hebben. Wie weet zit er ergens op een Nederlandse high tech campus wel een bedrijf dat geavanceerde printplaten voor de laadpaaltjes kan maken, maar gidsen lijkt me toch echt een brug te ver. Wat hebben de Concorde, diens Sovjet tegenhanger de Tupolev TU-144 en een Ford Focus brandstofcelprototype met elkaar gemeen? Ze staan sinds kort gebroederlijk in het Auto & Technik Museum in Sinsheim.
Inderdaad, Ford laat een brandstofcelauto bijzetten in een museum en is daarmee een van de eerste. Maar zeer waarschijnlijk niet de laatste, integendeel. Ik vrees dat er zelfs een moment gaat komen dat museumdirecteuren ter expositie aangeboden brandstofcelauto’s gaan weigeren.
Al jaren experimenteert de auto-industrie er lustig op los met brandstofcellen. Wereldwijd rijden er in testvloten enige honderden rond. En de auto-industrie blijft krampachtig in de brandstofcel geloven dus die testvloten zullen de komende tien jaar alleen nog maar uitdijen. Alle goede bedoelingen ten spijt zal het op z’n minst tot 2020 een experimenteel circus blijven, commerciële productie zit er het komende decennium nog nergens in. Er kunnen de komende jaren dan ook nog genoeg brandstofcelproto’s museumwaarts gaan.
Wie weet staan er straks meer in musea dan dat er rondrijden... Toen ik nog bij VROM werkte ging ik graag naar de officiële opening van de AutoRAI, met veel drank en de beste borrelhapjes. Als mijn minister de openingsspeech gaf, zorgde ik voor een stevig statement over milieu en rijgedrag. Dit jaar zijn die hapjes ongetwijfeld kariger geweest, ik was er voor het eerst in 20 jaar niet meer bij. De AutoRAI trekt mij niet meer zo als vroeger, toen ik elk model gezien wilde hebben. Ik heb nog dozen vol autofolders, alleen auto’s uit mijn schooltijd kunnen mij nog een warm gevoel geven. Met moderne auto’s heb ik nooit wat gehad, ik zie liever ouwe k(n)arren tijdens veteranenritten of in de AutoWeek-rubriek 'Klokje Rond'. ‘t Was leuk, op de RAI achterin een Maybach gezeten te hebben, en onder de voortrein van een Hummer te hebben gelegen. Mensen kijken was nog leuker, bijvoorbeeld bij Ferrari, met al die jongens tussen 12 tot 82 hunkerend achter de hekken. Bij RAI-openingen heerst(e) een sfeertje van ouwejongenskrentenbrood en ’t kan-niet-op. Ronduit genant een paar jaar terug was de baas van GM, een “captain of industry”, die een optimistisch verhaal hield over de auto en de auto-industrie - terwijl GM al recordverliezen leed - met simpele anti-milieu statements, overtuigd van een klimaatcomplot. Deze ouwejongen was er op z’n 73ste nog apetrots op dat hij als elfjarige de auto van zijn oom in puin gereden had. Met foto’s bewees hij dat het ook echt gebeurd was. Zo iemand gaat over de GM-miljarden en over duizenden arbeidsplaatsen, maar is geestelijk elfjarige gebleven. Geen wonder dat GM met zulke managers zonder “vooruitziende blik” richting afgrond is gegaan, als je zo weinig besef hebt van de werkelijkheid buiten de auto-speeltuin.
Tijdens de recente opening hebben premier J.P.Balkenende en minister MG.TF.Eurlings uitbundig blijk gegeven van hun oprechte autoliefde. De auto is bij hen in goede handen, was de boodschap. Gelukkig was ik er niet bij hoe onze dienaren van de Kroon hun jongensdromen verkondigden en hun pseudo-groene imago verstevigden met gratuite uitspraken over “schone” en elektrische auto’s – alsof die de oplossing voor alle autokwalen zijn. Ik zou er kromme tenen van gekregen hebben. De RAI stond weer vol met tienduizenden pk’s! Zolang de auto de rol van speelgoed (vooral voor mannen) vervult, blijft de auto een probleem: voor milieu, verkeersveiligheid, gezondheid en voor het huishoudbudget. Het verkeer zal pas “duurzaam” kunnen worden als de auto weer als energie-efficiënt, rationeel vervoermiddel - naast fiets en OV - ontworpen en gebruikt wordt. Net als ooit in de film zal de Eend dan de Cadillac aftroeven als de slimmere auto. Dat sprookje over de haas en de schildpad wordt eens werkelijkheid. Een lichte verbazing maakt zich van mij meester na het lezen van een persbericht van General Motors. De wankelende reus deelt mee op z’n onderwijssite een blog te hebben waar leraren ervaring kunnen uitwisselen over groene lessen. Jawel, het stond er echt; groene lessen op de onderwijswebsite van een autofabrikant.
Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. De scholier van vandaag is tenslotte de klant van morgen en die kun je niet vroeg genoeg aan je binden. Zo heeft bijvoorbeeld hamburgerketen Burger King op z’n website speciale kinderpagina’s. Hier vind je naast de laatste aanbiedingen en voedingswaarden van de hamburgers ook virtuele kleurplaten en andere spelletjes. Maar telkens staat in de rechterbovenhoek de mededeling “Hey kids, this is advertising”, zodat je kroost weet dat ze niet naar onafhankelijke informatie zitten te kijken. Lijkt me duidelijk.
Ook bij General Motors snappen ze dat de autokoper van morgen vandaag nog in de schoolbanken zit. Met deze wijsheid op zak hebben ze bij General Motors zelfs onderwijsprogramma’s ontwikkeld waarin zo’n beetje alles met betrekking tot de auto behandeld wordt. Niks mis met bedrijven die vertellen waarmee ze bezig zijn, zeker niet wanneer dat ook nog ‘ns in begrijpelijke taal gebeurt. Zolang het over droge techniek gaat is dit lovenswaardig: hoe het principe van de verbrandingsmotor in elkaar steekt, daar valt tenslotte geen speld tussen te krijgen. Maar GM gaat verder. Het bedrijf bedelt momenteel bij de overheid om geld voor ontwikkeling, omdat het jarenlang grote benzineverslindende V8’s bouwde en structureel vergat nieuwe techniek te ontwikkelen. Zonder de mededeling “Hey kids, this is advertising” roept ditzelfde bedrijf nu opeens (door marketeers gedreven) dat het zo begaan is met alles wat groen is en draagt deze boodschap nu zelfs uit in de vorm van onderwijspakketten bij de klant van morgen*. Kom er maar op...
*Als het bedrijf tegen die tijd niet alleen nog in de geschiedenislessen behandeld wordt. Menig autohater zal zich verkneukelen in de economische ellende van die vermaledijde autobranche en het dreigende failliet van The Big Three: GM, Ford en Chrysler. Hadden ze maar kleinere en zuiniger auto’s moeten maken en tijdig, zoals Toyota en Honda, hybrides moeten ontwikkelen. Dát schrijven autojournalisten. Maar in Amerika én Europa gaat het nu ook met Japanse en Europese fabrikanten slechter, worden fabrieken stilgelegd en arbeiders naar huis gestuurd, zie NedCar. Werk en inkomen van honderdduizenden staan op het spel als autofabrikanten omvallen en toeleveranciers als DSM in de problemen komen. Van zulke gevolgen mag niemand vrolijk worden. Op de korte termijn is de kredietcrisis en de daarop gevolgde autocrisis goed voor het milieu en het klimaatprobleem. Nu al is meetbaar dat er minder auto gereden wordt, mede door de hoge brandstofprijzen - die helaas weer tot “normaal” niveau gedaald zijn - en kleinere, zuiniger en hybride auto’s winnen terrein dankzij fiscale stimulering. Dat remt de groei van CO2-emissies, het is onvoldoende voor 20% reductie tot 2020.
Eind november kwam de autocrisis plots heel dichtbij toen het bloeiende autobedrijf van een schoolvriend van me onverwacht failliet ging en zijn showrooms door de importeur werden leeggehaald. Het merk? Toyota! Deze “groene” dealer vertelde mij onlangs nog trots dat hij meer dan honderd (tevreden) Prius-klanten had. Deskundigen verwachten dat veel autobedrijven failliet zullen gaan. De auto en de autobranche lijken aan hun succes ten onder te gaan. De auto, ontworpen om met 200 km/uur over Autobahnen te razen, staat stil in de file tussen te vele soortgenoten. De branche beleefde gouden tijden, de snelle auto’s, cabrio’s en dikke SUV’s waren niet aan te slepen, BMW en Mercedes maakten recordwinsten. Dat is voorlopig voorbij, zelfs in de groeimarkt China. De machtige autosector blijkt een waterhoofd en symboliseert de oude economie van Nooit-Genoeg en hyperconsumptie. Mondiaal heerst overcapaciteit en alleen dankzij velerlei staatssteun blijven bedrijven overeind. Door effectief lobbywerk in Brussel en Washington (het auto-industriële-culturele complex) hebben autofabrikanten steeds ingrijpende eisen ten gunste van milieu en brandstofbesparing af weten te houden. Dat lukte opnieuw bij de verwaterde Europese 130 gr/km CO2-emissienorm. Door intensieve reclame en mediagebruik en door frequente modelwisselingen - ergo: kunstmatige veroudering van bestaande modellen - blijft een nieuwe auto het populairste hebbeding, maar nu even niet…… De inzakkende vraag naar grote auto’s bewijst dat die meer genotmiddel dan vervoermiddel zijn. We blijven immers wel rijden, maar dat kan altijd een maatje kleiner, zie de populariteit van budgetmerk Dacia. Net als in de luchtvaartsector brengt productrationalisatie en “echte” marktwerking mee dat de bestaansgrond voor merken als Volvo, Jaguar, SAAB afkalft. Kleine serie-fabrikanten kunnen grote technologische innovaties niet opbrengen. De honderden verschillende automodellen zijn zelf verspilling van kapitaal, energie en materiaal; minder diversificatie vermindert de global footprint. Ooit gingen BMC, Simca en Borgward gewoon ter ziele, nu houden EU lidstaten onrendabele productielijnen overeind met subsidies, zachte leningen en slappe emissienormen. Paradoxaal genoeg willen Republikeinse Congresleden de Grote Drie geen miljardensteun geven, terwijl die juist in de problemen gekomen zijn door de onzuinige SUV’s en pick-ups waarvoor de politiek gunstige marktcondities geschapen had. Amerikanen gingen inzien dat de populairste truck (Ford F-150, 250 pk, 1 op 6 - goedkoper dan onze Golf!) bij stijgende benzineprijzen geen toekomst heeft. Zelfs veel Europese auto’s blijken nu onverkoopbaar; ook die zijn gemiddeld steeds dikker en sneller geworden maar niet veel zuiniger dan 20 jaar geleden. Bij ons biedt het gemiddelde, de Golf-klasse 110 pk, 1300 kg en 1 op 13, Duitsland scoort 1 op 11 met de 140 pk/ 210 km/uur Passat-klasse. De technologische vooruitgang is vooral omgezet in meer pk’s, kilo’s, prestaties en binnenruimte en niet - zoals autofabrikanten graag doen voorkomen - aangewend voor een radicaal verminderd brandstofverbruik. Dat zou met beschikbare technieken 1 op 30 á 50 kunnen zijn met behoud van veiligheid, comfort en redelijke prestaties. Mercedes heeft al een 4-cilinder S klaarstaan die 1 op 20 haalt. Downsizing heet dat, kleinere motoren zijn de goedkoopste manier om brandstof te besparen. Dan kan de auto-industrie de geclaimde miljarden aan echte technologische innovatie besteden in plaats van aan meer-van-hetzelfde. De Europees afgesproken CO2-reductie via eco-driving (=Het Nieuwe Rijden) lukt alleen als nieuwe auto’s met (gedragsondersteunende) boordcomputers en schakelindicators worden uitgerust, wat 10% - 20% brandstof bespaart. In 1991 al hebben Europese Verkeersministers o.l.v. Maij-Weggen downsizing en eco-driving bepleit. Sindsdien zijn gezinsauto’s ware racemonsters geworden. De EU heeft bij de steun aan autofabrikanten een gouden kans voorbij laten gaan door geen in-car instrumenten en geen downsizing af te dwingen via wettelijke vermogensbegrenzing en snelheidslimitering tot 130 km/uur. De vermogensrace tussen fabrikanten en de snelheidsverslaafde autoconsumenten blijven een volgende oliecrisis uitlokken, die de autosector harder zal treffen dan de huidige crisis. Hopelijk komt Obama met gedurfder beleidsinitiatieven dan de EU, die als klimaatkampioen aan geloofwaardigheid verloren heeft. Martin Kroon is deskundige Verkeer en Milieu en oud-beleidsmedewerker bij VROM Zoals ik in een vorige webartikel besprak kennen sommige zaken een grillig en onvoorspelbaar karakter. Zo ook de verkoop van auto’s. De keuze voor de aanschaf van een auto is van zoveel factoren afhankelijk, dat bijna niet te voorspellen is welke auto het gaat halen. Om het risico van falen zo klein mogelijk te maken doen autofabrikanten alsof ze conservatief zijn. Ze investeren miljarden in modellen die dicht bij het vorige model liggen. Dat lijkt veilig, maar is dat het wel? We schrijven de jaren 1993. Nicolas Hayek de CEO van Swatch bedenkt een mobiliteitsconcept dat net als de klokjes van het bedrijf, goed, betaalbaar en hip zou worden. In eerste instantie werkt hij samen met Volkswagen aan de stadsauto met verwisselbare kunststof panelen. Om voor mij onbekende redenen stapt VW uit het project en DaimlerChrysler in. Hayek kan de stijgende ontwikkelkosten niet verder dragen en DC weigert de auto van elektromotoren te voorzien. Hayek verkoopt zijn aandelen in het project en SMART is geboren. De ontwikkeling van een geheel nieuwe auto duurt ongeveer 10 jaar en kost enorme hoeveelheden geld. Denk hierbij in de orde van grootte van 2 miljard euro. Als de auto dan op de markt komt, dan kun je maar beter zorgen dat het zijn geld maximaal opbrengt. Zoals we weten van introducties van nieuwe modellen auto’s is de verkoop altijd in het eerste jaar het hoogst. Daarna dalen ze gestaag met de introductie van nieuwe modellen van concurrenten. Na drie jaar is het tijd voor een face-lift en weer drie jaar later staat de opvolger klaar. Op basis van deze in het verleden behaalde resultaten is ook de SMART ontworpen en op de markt gezet. De auto moest in zijn eerste jaar maximaal verkopen. Dat deed hij natuurlijk niet. Het is een hele prestatie dat de teller aan het einde van het eerste productiejaar 1998/99 al op enkele 10.000’en SMARTs stond. Maar het ontwerp en de fabriek waren gebouwd op zeker 100.000 stuks per jaar. Pas in 2003 verkocht Smart 124.000 stuks. Als iets tè nieuw is, koopt men het niet, zou je dus kunnen concluderen. Een auto die zo vernieuwend is als de SMART zal dus in eerste instantie nooit maximale populariteit kennen. Dus hoor ik u denken: bouw dan geen supervernieuwende auto’s! Ook niet! De (oude) MINI en de Citroën DS waren (en zijn) een enorm succes. Beide auto’s waren misschien wel vernieuwender dan een elektrische SMART was geweest. In ieder geval hebben ze de kracht gehad het gehele speelveld om te gooien. Citroën introduceerde met de DS de zelfdragende carrosserie zoals deze nu in 95% van alle auto’s zit. MINI introduceerde de dwars voorin geplaatste motor i.c.m. voorwielaandrijving, die nu in 85% van de auto’s zit. Als je op het moment van introductie van de DS nog een van de honderden carrosserie-bouwers was, waren je dagen geteld. Dat is de kracht van vernieuwing. Vraag maar aan de Japanse autoindustrie hoe ze ineens ’in business’ was toen de olieprijzen de pan uit rezen. SMART had in één klap alle stadsauto’s ouderwets kunnen maken. Een elektrische SMART was bij een kleine, maar hippe groep mensen (u en ik) zeker aangeslagen. De verkoop was gedurende de tijd waarschijnlijk steeds gestegen omdat de auto nog geen concurrenten had. En langzaam, nèt voor de Prius, had het een enorm succes geworden. Nu zitten we met een slap aftreksel van het originele concept. Ze komen straks eindelijk met een elektrische variant. Nou. Klasse. Als je al je geld op één paard zet dat altijd wint en er komt ineens een sneller paard. Dan ben je dus al je geld kwijt. Je kunt dus beter een beetje geld zetten op een aantal paarden met een onbekende toekomst. DaimlerChrysler had de teugels in handen, maar hield ze te strak. Ik stap morgen weer in mijn Japanse Honda, ok? In mijn vorige artikel propageerde ik het gebruik van een
vermogen-gewicht ratio in artikelen in plaats van gebruikelijk: het
aantal PK’s. Als we de mens niet kunnen veranderen, hoe gaan we dan
moderne auto’s ontwerpen is de volgende vraag?
Afgelopen zaterdag was de eerste c,mm,n garage, een evenement waarbij mensen die interesse hebben in de open-source auto ’c,mm,n’ elkaar in ’first life’ konden aanvullen in een aantal brainstorm-achtige sessies. Er waren mensen van een pluriform pluimage, al waren het vooral mannen. Van studenten en professionals tot ondernemers en kunstenaars. Je mocht zelf onderwerpen inbrengen en dan een groepje om je heen verzamelen om dat uit te werken. Ook kon je er elk moment uit stappen en naar een ander groepje wandelen. Alles werd genoteerd op de wiki op www.cmmn.org. In de tweede ronde heb ik het erop gewaagd en het onderwerp ’dragende structuur’ (chassis) in de groep gegooid. Dat startte meteen met een vlaag aan ’criteria’ van alle deelnemers. Daarbij was een lage massa volgens iedereen het belangrijkst, daarna veiligheid. Maar daar kwamen we gezamelijk op een interessant punt. In de huidige veiligheidsystemen heb je het onderscheid tussen primaire and secundaire veiligheidsystemen. De laatste kennen we uit de Euro NCAP test waarbij je een auto tegen de muur smijt met 64 Km per uur. De technologie die de inzittende helpt de krachten van een botsing te overleven noemen we secundaire veiligheid. Dit is waar automobielfabrikanten de afgelopen 50 jaar miljarden in geïnvesteerd hebben. En niet zonder resultaat: denk aan airbags, veiligheidskooien en het immer dalende sterftecijfer onder automobilisten. Primaire veiligheid daarentegen, richt zich op het verminderen van de kans op een crash of zelfs het volledig voorkomen ervan. Deze technologie zit in de lift en belooft wat. Mercedes, Honda, Lexus en Volvo bieden al systemen die zorgen dat de auto zelf afremt bij een bijna-botsing. Dit vermindert de kans op whiplashes en de kosten van eventuele schade. Daarom heeft een grote Engelse verzekeringsmaatschappij zich volledig achter deze technologie geschaard. Wij, vanuit de wat groenere hoek, kunnen ons daarbij aansluiten. Door gradueel de secundaire veiligheid van auto’s te verminderen en exponentieel de primaire veiligheid te vergroten, ontstaan veel duurzamere auto’s! De Euro NCAP test is gebaseerd op statistiek: ongeveer 1% van de botsingen gebeurt boven de gekozen snelheid van 64 Km per uur. Wanneer actieve systemen aantoonbaar deze statistiek beïnvloeden en deze snelheid omlaag brengen, kan ook de secundaire veiligheid verminderd worden. Dit heeft als gevolg: lichtere auto’s met minder verzekeringskosten en een lager (goedkoper) brandstofverbruik. En als je zou kijken naar de vermogen-gewichtsverdeling, komt deze gunstiger uit dan huidige auto’s. Je komt in een positieve spiraal. Duurzaamheid kent sociale, economische en ecologische factoren. Mijn moeder zei altijd al: voorkomen is beter dan genezen. En dat doet primaire veiligheid: het voorkomt sociale problemen rond verkeersonveiligeid, is economisch aantrekkelijk en kan de ecologische voetafdruk van auto’s significant verminderen. Er is een probleem. Mensen moeten het wel willen, daarom moeten we op zoek naar de romantiek van de intelligentie. Maar ook dat ligt (of: licht) binnen bereik: de verlichting is nabij. Links: Op mijn tiende (her)kende ik alle vleugels van de Amerikanen uit de fifties. Als student heb ik jarenlang V8 Chrysler limo’s bestuurd, bij begrafenissen en trouwerijen, als bruidscoupé een ‘66 Thunderbird, een ouwelullenkar, veel blingbling en sturen met je pink. In 1969 “USA for 5 dollar a day”; met een nieuwe Impala dwars door the West. Afgelopen zomer was ik eindelijk back in the USA om een catamaran naar Europa terug te zeilen. In Norfolk [VA], thuishaven van US Navy aircraft carriers, keek ik mijn ogen uit met al die onbekende automodellen, én hun berijders. Ik was zowat de enige voetganger, de enige fietsers waren wijkagenten op MBs[!]. Wat me opviel: hoe dikker de auto, hoe dikker de eigenar(ess)en: de helft van alle auto’s zijn SUVs, pick-ups [inderdaad Cornelis: vooral F-150s] en MPV’s - niks midi, gewoon BIG en >2000 kg. De rest bestaat uit afschuwelijk vormgegeven Amerikaanse, Koreaanse of Japanse Prednison-misbaksels met veel te dikke neuzen, heupen en konten. Zelfs Golfjes en Escorts worden totaal verprutst om aan de Amerikaanse smaak te voldoen. Hun kleinste auto’s (subcompact) heten bij ons middenklassers; die worden vooral door scholieren gebruikt om één kilo hersens naar school te brengen. Net zo makkelijk zie je kinderen van 16 uit een dikke Explorer stappen om een brief van 10 gram te posten of voor een hamburger. Nieuw voor mij waren de 20 inch superbling spiegelende wieldoppen die blijven doordraaien als je auto stilstaat, hét speeltje van de lokale (black) maffioso. Je waant je voortdurend in de verkeerde TV-serie….
1 2
|
| Laatste weblogs |
- 11-01-10Handel is handel
- 11-08-09Wat is er mis met Gent?
- 26-06-09Nederland gidsland?
- 06-05-09Rijp voor het museum
- 23-04-09Toys for boys
- 16-03-09Groen onderwijs volgens GM
- 22-12-08De autocrisis zegen voor het milieu?
- 11-07-08Risico
- 22-02-08Verlichting
- 04-02-08Detroit: Sin City
| Laatste reacties |
- CarWizzard (Nederland gidsland?)
Ah, de Unie surft mee op de elektrohype zie ik. Prachtig om... - PeterSZ (Toys for boys)
Het komt mij als redelijk naïef en onrealistisch over... - krukasKIA (Groen onderwijs volgens GM)
GM moest natuurlijk iets stellen tegenover de iets minder... - krukasKIA (Het einde van Groenopweg.nl)
Petsrsz: zie "Who killed the electric car" - Jacquesf (De autocrisis zegen voor het milieu?)
Ja, helemaal mee eens, dit lijkt wel een... - A. de Wit (De autocrisis zegen voor het milieu?)
Wat een vreselijk depresief stuk. Niet echt geschreven door...
| Weblogcategoriën |
























