Bij een serie-
hybride is de verbrandingsmotor niet meer mechanisch met de wielen verbonden, waardoor z’n toerental niet meer eenparig verloopt met de snelheid van de auto. Het voordeel hiervan is dat de motor fungeert als een stationaire motor, die met een vast toerental werkt, om preciezer te zijn met het toerental waarbij z’n uitstoot en/of verbruik het laagst zijn. In de praktijk zal het toerental altijd wel iets variëren, maar desalniettemin zal het werkgebied vrij klein zijn, ideaal dus om je als motorontwikkelaar daarop te kunnen concentreren. Zo’n motor is veel gemakkelijker schoon te maken dan een motor die over het hele toerengebied moet kunnen presteren en ook nog een prettig karakter moet hebben. Natuurlijk zal de verbrandingsmotor harder moeten werken wanneer de
elektromotor om meer
elektriciteit vraagt, maar pieken zijn op te vangen door een buffer in de vorm van een
accu(pakket). Het spreekt voor zich dat de verbrandingsmotor vanzelf afslaat wanneer de auto stilstaat, wanneer er wordt geremd – en de
elektromotor(en) fungeren als
generator(en) – of als er genoeg
energie in de
accu zit.
Grenzen vervagen
Met het idee van de serie-
hybride vervaagt de grens met de brandstofcelauto, want dat is in principe ook een elektromobiel met een eigen elektriciteitscentrale. General Motors illustreert dat met de Volt, een in 2007 gepresenteerde concept van een plug-in-
hybride. Tijdens de eerste publieke presentatie van de Volt in Detroit (in januari 2007) was die stroombron een als
generator werkende kleine (1 liter) driecilinder turbobenzinemotor, maar tijdens de autoshow in Sjanghai (in april 2007) werd de
elektriciteit in de Volt geleverd door een op
waterstof werkende
brandstofcel. Een derde variant werd in september 2007 gepresenteerd in de vorm van de Opel Flextreme, nu met een (bio)dieselmotor als basis voor de stroomvoorziening.
De plug-in-
hybride, het woord zegt het al, is met een verlengsnoer op te laden. ’s Nachts (wanneer de elektriciteitsmaatschappijen in de daluren zitten) lekker laden en overdag rijden. De actieradius moet groot genoeg zijn om in pak ‘m beet 80 procent van het woon-werkverkeer te voorzien. Mocht de
accu onverhoopt toch leeg raken, dan springt de verbrandingsmotor (of
brandstofcel) bij om op efficiënte wijze
elektriciteit op te wekken.