Bio-ethanol (
E85) is bij ons nog slechts mondjesmaat verkrijgbaar, al is wel beloofd dat het aantal tankstations waar deze op biologische basis gemaakte brandstof verkrijgbaar is toe gaat nemen, net als het aantal auto’s dat geschikt is om het te tanken. Een schril contrast met Amerika, waar
E85 al langer op de markt is, net als de auto’s die er op kunnen rijden. Het lijkt dan ook niet verwonderlijk dat Cadillac met de BLS Flexpower een
E85-auto in z’n leveringsprogramma heeft. Toch is het dat wel. Er is namelijk maar weinig Amerikaans aan de Flexpower-techniek in de BLS, sterker nog: aan de hele BLS is weinig Amerikaans. Aan gene zijde van de Atlantische Oceaan is de auto onbekend. En ze kennen daar al helemaal geen op
bio-ethanol gestookte Cadillacs. De BLS is gebaseerd op de Saab 9-3 (die op zijn beurt is afgeleid van de Opel Vectra), wordt alleen in Europa verkocht en bij Saab in Zweden gebouwd. Omdat het gebruik van
bio-ethanol in Zweden flink gestimuleerd wordt is het niet echt verwonderlijk dat Saab voor z’n thuismarkt auto’s bouwt die hierop kunnen rijden. En als Saab het heeft, dan is het maar een kleine moeite om ook de Cadillac BLS geschikt te maken voor
E85-gebruik. Het is dan ook een tweeliter turbomotor uit de Saab die hier onder de Cadillac-motorkap schuilgaat.
Slecht verkrijgbaar
De 2.0 T Flexpower is de enige BLS met 200 pk
ottomotor. De 175 en 210 pk-varianten zijn niet geschikt om
bio-ethanol te verbranden en rijden alleen op
benzine, net als de 255 pk V6. Uiteraard redt de Flexpower het ook prima op
benzine, sterker nog: hij zal bij de meeste eigenaren voorlopig hoofdzakelijk op
benzine gereden worden.
Bio-ethanol is nog erg slecht verkrijgbaar en wij rekenden voor een liter
E85 ruim twintig cent meer af dan voor een liter euro 95. Als de wereld met dat extra geld beter af zou zijn, zou het nog tot daar aan toe zijn, maar de huidige generatie
bio-ethanol is niet geheel onomstreden.
De Flexpower-machine toont zich een soepele krachtbron. Geen geweld, eerder een beetje braaf; met z’n vermogen van 200 pk prima in staat om de Caddy vlot op gang te brengen en te houden. De vijftraps automatische versnellingsbak laat hierbij een gezapige indruk achter. Tien jaar geleden riepen we nog oh en ah bij 200 pk, nu lijkt het bijna het bestaansminimum voor auto’s in deze klasse; het prikkelt niet, ook niet wanneer we op de sportknop onder aan de middenconsole drukken en zo de automaat een beetje alerter maken. En schakelen met knoppen op ’t stuur zorgt evenmin voor een verhoogde hartslag. Integendeel, de knopjes zijn zo geplaatst dat je er nou niet echt lekker mee door de versnellingen wilt flipperen. Dit hadden de Amerikanen – of beter: de Zweden – van ons achterwege kunnen laten en in plaats daarvan hun
energie in de besturing mogen steken. Die is namelijk een beetje vaag en mag naar onze smaak wat directer. Verder is het opmerkelijk dat de bagageruimte van deze stationcar kleiner is dan die van de sedan, althans zolang je de achterbank niet neerklapt en de dozen niet tot het plafond opstapelt.